Hetzelfde Anders

Home

Hetzelfde Anders

Wie wij zijn

Wat wij doen

Cursussen

Workshops
&
Lezingen

Leesgroepen

Schrijfhulp

Contact

Memes: toekomstmuziek of pseudowetenschap?

door Rob van de Ven

memes

In 1955 zei Martin Heidegger tijdens zijn collegereeks Der Satz vom Grund het volgende:

“Die Sprache spricht, nicht der Mensch. Der Mensch spricht nur, indem er geschicklich der Sprache entspricht.” (p. 161)

Een citaat dat menig analytisch filosoof wellicht doet stuiteren.

In tegenstelling tot Wittgenstein die de taal, in zijn Philosophischen Untersuchungen (1953), opvatte als een instrument in handen van de mens, beschouwt Heidegger de taal als een monoloog, die wij niet beheersen, maar die ons – als een onpersoonlijk gebeuren – overkomt. Het is volgens Heidegger niet de mens die de taal spreekt, maar – hoe tegen intuïtief dit misschien ook moge klinken – veeleer andersom, de taal die de mens spreekt. Op het eerste oog riekt een dergelijke bewering naar postmodern gezwets. Iets waar kritische wetenschappers zich maar al te graag verre van houden. Of toch niet?

In 1976 publiceerde de bioloog Richard Dawkins zijn – inmiddels beroemde – The Selfish Gene. In dit boek beargumenteert Dawkins dat Darwins notoire struggle for existence zich feitelijk niet – zoals men voorheen dacht – afspeelt tussen organismen onderling. De ware strijd woedt volgens hem veeleer op een fundamenteler niveau, namelijk op dat van de genen die de organismen in zich dragen. Collega bioloog en schrijver Maarten ’t Hart was op het congres waar Dawkins zijn theorie voor het eerst uit de doeken deed:

“De volgende morgen hield Richard Dawkins een lezing waarin hij ons voorhield dat wij de evolutie van organismen dienden te begrijpen als de evolutie van zelfzuchtige genen. Wij, en alle andere dieren en planten waren slechts het omhulsel voor genen die zich reproduceren wilden. Wij waren de blikken auto’s, de genen waren de chauffeurs.” (’t Hart 1984, De Ortolaan, p. 83)

Door de gestalt switch die zich in Dawkins’ boek voltrekt, verschijnen organismen niet langer als zelfstandige wezens, maar als slaven van het zelfzuchtige DNA dat hen ontwerpt, programmeert en stuurt. Hoewel de mens op dit verhaal uiteraard geen uitzondering vormt, bemerkt Dawkins niettemin dat er met haar toch iets bijzonders aan de hand is. De mens lijkt namelijk over ‘iets’ te beschikken dat de rest van het dierenrijk ontbeert, i.e. cultuur. Naast genetische informatieoverdracht (via DNA) is de mens ook instaat tot een – niet genetische – vorm van informatieoverdracht, die vele malen sneller verloopt dan haar biologische tegenpool. De mens heeft taal, kunst, religie, ethiek, wetenschap, etc. Deze zaken zijn volgens Dawkins echter niet door God geschonken gaven, maar eveneens het resultaat van het evolutionaire proces van natuurlijke selectie. De filosoof Daniel Dennett onderschrijft dit wanneer hij zegt:

“All the achievements of human culture—language, art, religion, ethics, science itself—are themselves artifacts ( of artifacts of artifacts …) of the same fundamental process that developed the bacteria, the mammals, and Homo sapiens. There is no Special Creation of language, and neither art nor religion has a literally divine inspiration.” (Dennett 1995, Darwin’s Dangerous Idea, p. 144)

Ook alle ‘typisch menselijke’ culturele uitingen zijn geschapen door de natuur als Blind Watchmaker (Dawkins, 1986). Aan niet natuurlijke verklaringen, is geen behoefte.

In een poging de menselijke cultuur te darwinizeren introduceert Dawkins, in het slothoofdstuk van zijn boek, de term meme als de culturele tegenhanger van de biologische gene. Volgens Dawkins is er bij de mens – als een nieuwe loot aan de boom des levens – een tweede, niet genetische, replicantensoort ontsproten. Hij karakteriseert memes als ‘chunks of information’ die zich, net als genes, niet ten bate van hun gastheer maar ten behoeve van hun eigen gewin, vermenigvuldigen. In tegenstelling tot genes liggen memes echter niet opgeslagen in het DNA, maar in boeken, culturele artefacten, hersenpannen, harde schijven, etc. Als virussen bezetten de memes breinen ‘in de hoop’ gepropageerd en verspreid te worden:

“When you plant a fertile meme in my mind you literally parasitize my brain, turning it into a vehicle for the meme’s propagation in just the way that a virus may parasitize the genetic mechanism of a host cell.” (Dawkins 2006, The Selfish Gene, p. 192)

Blijkt Heidegger met terugwerkende kracht gelijk te krijgen? Repliceert de taal autonoom en spreekt zij door ons heen? Zijn wij geen subjecten maar spreekbuizen van de natuur? De filosoof Terrence Deacon sluit zich aan bij Dawkins’ voorstel. Ook hij vergelijkt taal met een virus en schrijft:

“We are not just a species that uses symbols. The symbolic universe has ensnared us in an inescapable web. Like a ‘mind virus’, the symbolic adaptation has infected us, […], we have become the means by which it unceremoniously propagates itself throughout the world.” (Deacon 1997,The Symbolic Species, p. 436)

De zelfreplicerende memes hebben ons – gedurende vele eeuwen – ingesponnen in een semantisch web. Dit web structureert, categoriseert en bepaalt hoe wij de wereld zien. Wij wonen hierdoor in de taal zoals een slak in zijn huis. Heidegger spreekt van de taal als het huis van het Zijn en zijn nazaat Jacques Derrida beweert dat er niets buiten de tekst is. Blijken de woorden van deze ‘obscure’ postmodernisten door Dawkins’ meme-theory ineens zo gek nog niet?

De door Dawkins geopperde speculatieve theorie kent nog vele haken en ogen. Als er al van een memetica gesproken kan worden, heeft deze nieuwe wetenschap het kraambed nog niet verlaten. Dat haar tegenhanger, de genetica – als wetenschap – uiterst succesvol is, dat moge duidelijk zijn. We zijn heden ten dage instaat genen te identificeren, te isoleren en te manipuleren om daarmee bouw en gedrag van organismen te beïnvloeden. Bij memes is dit alles (nog?) niet het geval. Dawkins erkent dit:

“Memes have not yet found their Watson and Crick; they even lack their Mendel.” (Richard Dawkins in Susan Blackmore 1999, The Meme Machine, p. xii)

Toch kent de precaire theorie al aanhangers. Zo heeft Dennett er reeds ettelijke pagina’s aan vuil gemaakt en wijdde Susan Blackmore er zelfs een heel boek aan. Anderen zijn sceptisch. John Gray schrijft bijvoorbeeld:

“Memes are not genes. There is no mechanism of selection in the history of ideas akin to that of the natural selection of genetic mutations in evolution.” (John Gray 2002, Straw Dogs, p. 26)

Het vraagstuk of memes feit of fictie zijn is dus nog niet beslecht. Mocht de theorie echter hout snijden, dan zijn de consequenties niet mals. Blackmore gaat voor ons alvast tot het gaatje:

“We once thought that biological design needed a creator, but we now know that natural selection can do all the designing on its own. Similarly, we once thought that human design required a conscious designer inside us, but we now know that memetic selection can do it on its own. We once thought that design required foresight and a plan, but we now know that natural selection can build creatures that look as though they were built to plan when in fact there was none. If we take memetics seriously there is no room for anyone or anything to jump into the evolutionary process and stop it, direct it, or do anything to it. There is just the evolutionary process of genes and memes playing itself endlessly out – and no one watching.” (Blackmore 1999, The Meme Machine, p. 242)

Wat vindt u? Spreekt de neo-darwinistische theorie, die cultuur beziet als een legio memes, tot de verbeelding? En wat denkt u? Is zij waar? Kan dat eigenlijk überhaupt wel? Het lijkt namelijk alsof de aanhangers van de theorie ons willen overtuigen van een waarheid, maar als zij gelijk hebben dan probeert een parasiet ons, via hun teksten, te drogeren. Betekent dit dat al onze breinen beneveld en parasitair gestuurd zijn? Is dat de ultieme consequentie van deze denkweg?