Hetzelfde Anders

Home

Hetzelfde Anders

Wie wij zijn

Wat wij doen

Cursussen

Workshops
&
Lezingen

Leesgroepen

Schrijfhulp

Contact

De Zwarte Pieten discussie: de slavenmoraal revisited

zwarte pietDoor Rob van de Ven

Sinds een aantal jaren is in Nederland de discussie rondom de figuur van Zwarte Piet een hot item. Voor- en tegenstanders belagen elkaar aan de lopende band in het veld, op de buis, in de krant en op het web. De gemoederen lopen daarbij zo hoog op dat er mensen worden gearresteerd, rechtszaken worden aangespannen en politieke maatregelen worden genomen. Zelden leidt een ethische kwestie tot zoveel reuring en engagement onder het volk. Naar aanleiding van dit fenomeen, vandaag een verhaaltje over Friedrich Nietzsche en het door hem ingevoerde begrip slavenmoraal.

Tegen het eind van de 19e eeuw heeft Nietzsche zich gebogen over de moraal. Niet als een ethicus, maar als een filoloog. Een filoloog is een taalkundige die antieke talen bestudeert. In zijn boek De genealogie van de moraal (1887) onderzoekt Nietzsche de ontstaansgeschiedenis van de begrippen goed en kwaad. Hij reconstrueert daarbij de betekenisverschuivingen die deze woorden, in de loop der eeuwen, hebben doorgemaakt. Zijn resultaat is opmerkelijk: in de tijd die zich heeft afgespeeld tussen de Griekse Oudheid en het heden, hebben de begrippen goed en kwaad van stuivertje gewisseld. Dat wil zeggen: hetgeen de Grieken goed noemden, beschouwen wij tegenwoordig als slecht en vice versa.

Hoe dachten de Oude Grieken over de moraal? Volgens Nietzsche reserveerden zij het woord goed voor mensen die edel, mooi, krachtig, trots, scheppend, heersend en/of voornaam waren. Het woord slecht daarentegen, kenden zij toe aan zwakke, mislukte, lelijke, zieke en/of slaafse personen. Deze traditionele manier om over goed en kwaad na te denken karakteriseert Nietzsche met het begrip herenmoraal. Deze moraal heeft volgens Nietzsche – mede door toedoen van het opkomende Christendom – doorheen de geschiedenis langzaamaan plaatsgemaakt voor een ander waardenpatroon. Volgens deze nieuwe blik op ethiek, behoort het woord goed niet langer toe aan personen die krachtig en heersend zijn, maar juist aan hen die humaan, nederig, medelijdend, vergevend en/of zachtaardig zijn. Slecht daarentegen, heten tegenwoordig mensen die wreed, gewelddadig en/of egoïstisch zijn. Deze gekenterde kijk op goed en kwaad noemt Nietzsche de slavenmoraal.

Waarom heeft de herenmoraal als heersend waardenpatroon plaatsgemaakt voor de slavenmoraal? Om Nietzsches antwoord op deze vraag te begrijpen is het van belang te beseffen dat zijn filosofie – zij het indirect – sterk beïnvloed is door het werk van Charles Darwin. Volgens beider denkers’ antropologie zijn mensen, net als alle andere organismen, verwikkeld in een aanhoudende strijd om het bestaan. Moraliteit biedt geen uitweg uit deze strijd, maar is enkel een overlevingsinstrument daarbinnen. Ook iedere verkapte wil tot het goede is zodoende feitelijk een wil tot macht. De juiste vraag die gesteld moet worden, wanneer men wil verklaren waarom een bepaalde betekenis van de begrippen goed en kwaad heersend geworden is, is daarom: cui bono? Wie profiteert er van dit waardenpatroon? In wiens voordeel werkt deze moraal? Wiens macht wordt er door vergroot?

Welnu, in wiens voordeel is de geschetste omslag van de heren- naar de slavenmoraal geweest? Dat is volgens Nietzsche evident. Het is de machteloze, onderdrukte, slaafse mens die baat heeft bij de opmars van de slavenmoraal. De minderbedeelden zijn het, die profiteren van een heersende moraal die gelijkheid en medelijden predikt. De – om met Marcel van Dam te spreken – onrendabelen zijn daarom de bron van waaruit de aanval op de herenmoraal ontsproten is. In Nietzsches optiek zijn de zwakken er, in de loop der tijd, op een slinkse manier in geslaagd om de sterken onder de knoet te krijgen. Niet door hen heroïsch te bestrijden, maar door hun geweten op kousenvoet te beïnvloeden. Nietzsche duidt de slavenmoraal om die reden als een domesticatie-instrument, dat door zwakke, ondergeschikte mensen gebruikt wordt om de ongebreidelde macht van voorname, heersende lieden in te tomen. Zoals het jachtluipaard een atletisch gestel, de krokodil sterke kaken en de havik scherpe ogen heeft, zo heeft de zwakke mens de heerschappij van de slavenmoraal om zich staande te houden in de meedogenloze strijd om het bestaan.

Terug naar de discussie rondom Zwarte Piet. Heeft het begrip slavenmoraal, dat Nietzsche zo’n dikke eeuw geleden introduceerde ons iets te melden aangaande deze kwestie? Misschien wel. Misschien zelfs in de meest letterlijke zin des woords. Hoewel er in Nederland beslist jarenlang Sinterklaas gevierd is zonder rancuneuze bijgedachten, lijkt er door protesteerders de laatste jaren een blinde vlek blootgelegd te worden. De tegenstanders van Zwarte Piet hameren er voortdurend op dat deze figuur een residu is uit de slaventijd, om zo het verwerpelijke karakter van de traditie te demonstreren. Zij vinden het tijd voor verandering en roepen op tot revolutie. Met gelijkheidscampagnes en antiracismelobbies trekken zij ten strijde, met als gevolg dat een minderheid langzaam maar zeker het geweten van de starre conservatieve meerderheid weet te bespelen. En die verandering, die komt er. Let maar op. Door een martelaarsrol aan te nemen weten de antagonisten hun ondergeschikte positie op te kalefateren. De Zwarte Pieten discussie illustreert zodoende dat de transformatie van de heren- naar de slavenmoraal, zoals die door Nietzsche werd opgemerkt, heden ten dagen nog niet ten einde, maar juist volop in gang is.

“Geen herder en éne kudde! Ieder wil hetzelfde, ieder is gelijk: wie anders voelt, gaat vrijwillig in het gekkenhuis.”  – Nietzsche